Skip to main content

Full text of "Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz 2016"

See other formats


Nr. 122903 

17 december 
2015 


Gemeente 
West 
Maas en 
Waal 


GEMEENTEBLAD 

Officiële uitgave van gemeente West Maas en Waal. 


Afstemmingsverordening Participatiewet, loaw en loaz 2016 


Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen 

Vastgesteld bij raadsbesluit van 3 december 2015, kenmerk 2015/21-20 
De raad van de gemeente West Maas en Waal; 

Gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 oktober 2015, kenmerk 
2.1.5; 

Gelet op artikel gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet, artikel 35 
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en 
artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstan¬ 
digen; 

overwegende dat het noodzakelijk is bij verordening regels te stellen aangaande de afstemming; 
Besluit vast te stellen de volgende verordening: 

" Afstemmingsverordening Participatiewet, loaw en loaz gemeente West Maas en Waal 2016 " 

Artikel 1. Begrippen 

In deze verordening wordt verstaan onder: 

1. Benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep 
wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de 
voorziening in het bestaan; 

2. Bijstandsnorm: 

a. Toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of 

b. Grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere 
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomens¬ 
voorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover 
sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk 
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeel¬ 
telijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 

3. Uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de 
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de 
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. 


Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een verlaging 

In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in artikel 18, tweede, 
vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoor¬ 
ziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38, 
twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen 
zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: 

a. De reden van de verlaging; 

b. De duur van de verlaging; 

c. Het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en 

d. Indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. 

Artikel 3. Horen van belanghebbende 

1. Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld 
zijn zienswijze naar voren te brengen. 

2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: 

a. De vereiste spoed zich daartegen verzet; 

b. Belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen 
en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; 

c. Het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of 
de mate van verwijtbaarheid, of 

d. Belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. 


Artikel 4. Afzien van verlaging 

1. Het college ziet af van een verlaging als: 


Gemeenteblad 2015 nr. 122903 17 december 2015 






Gemeente 
West 
Maas en 
Waal 


a. Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; 

b. De gedraging meer dan drie jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsge¬ 
vonden en voor die gedraging een verlaging van € 340 of minder kan worden opgelegd, of 

c. De gedraging meer dan vijf jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsge¬ 
vonden en voor die gedraging een verlaging van meer dan € 340 kan worden opgelegd. 

1. Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 

2. Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt de belangheb¬ 
bende hiervan schriftelijk op de hoogte gebracht. 

Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 

1. Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing 
van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het 
besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij 
wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 

2. Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode 
waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft 
plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering 
is beëindigd of ingetrokken. 

3. In afwijking van het eerste lid, kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd voor 
zover de uitkering nog niet is uitbetaald. 

4. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging 
of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is 
uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste 
lid, onderdeel b en/of c van deze verordening, opnieuw een uitkering ontvangt. 

Artikel 6. Berekeningsgrondslag 

1. Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 

2. In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: 

a. Aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van 
de Participatiewet, en/of 

b. De verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand 
daartoe aanleiding geeft. 

1. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de hoofdstukken 2,3 en 4 'bijstandsnorm' 
worden gelezen als 'bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet 
verleende bijzondere bijstand'. 

2. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 'bijstandsnorm' 
worden gelezen als 'de verleende bijzondere bijstand'. 

Hoofdstuk 2. Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot 
de arbeidsinschakeling 

Artikel 7. Gedragingen Participatiewet 

Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen 
of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende 
wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: 
a.Eerste categorie 

Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzeke¬ 
ringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; 
a. Tweede categorie 

1. Het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan 
van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; 

2. Het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 
van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, 
gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de 
Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde 
lid, van de Participatiewet; 

3. Het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie 
naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c van de Participatiewet; 

a. Derde categorie 

Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van 
inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de 
Participatiewet. 


2 


Gemeenteblad 2015 nr. 122903 17 december 2015 





Artikel 8. Gedragingen loaw en loaz 

Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen 
of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en 
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomens¬ 
voorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende 
wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: 

a.Eerste categorie 

Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzeke¬ 
ringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; 
a. Tweede categorie 

1. Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot 
arbeidsinschakeling; 

2. Het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening 
als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomens¬ 
voorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 
36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere 
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid 
tot het geen doorgang vinden of tot voortijdig beëindiging van de voorziening; 

3. Het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie 
naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoor¬ 
ziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemer of artikel 37, eerste 
lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte 
gewezen zelfstandigen. 

a. Derde categorie 

1. Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 

2. Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 

3. Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; 

4. Het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening 
gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, 
onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte 
werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de 
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, 
voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van 
die voorziening. 


Artikel 9. Hoogte en duur van de verlaging 

De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8, wordt vastgesteld op: 

a. 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; 

b. 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; 

c. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie. 

Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de 
arbeidsinschakeling. 

Artikel 10. Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichtingen 

Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet 
niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende een 
maand. 

Artikel 11. Verrekenen verlaging 

Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 10, wordt toegepast over de maand van oplegging van 
de maatregel en de volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 

Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een verlaging 
Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 

1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het 
bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het be- 
nadelingsbedrag. 

2. De verlaging wordt vastgesteld op: 


Gemeenteblad 2015 nr. 122903 17 december 2015 






Gemeente 
West 
Maas en 
Waal 


a. 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot€ 1.000; 

b. 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf 

€ 1.000 tot €2.000; 

a. 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000 tot € 


4.000; 


b. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag van € 4.000 of 
hoger. 

1. Een verlaging wordt vastgesteld op honderd procent van de bijstandsnorm gedurende drie 
maanden ingeval aanspraak op bijstand wordt gemaakt doordat een voorliggende voorziening 
niet tot betaling aan belanghebbende komt wegens verrekening van een bestuurlijke boete 
welke is opgelegd voor recidiverend verzuim van de inlichtingenplicht. 


Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen 

1. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn 
belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, 
wordt een verlaging opgelegd van 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand. 

2. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, 
onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de Wet inkomens¬ 
voorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet inkomens¬ 
voorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, wordt een verlaging 
opgelegd van 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand. 

Artikel 14. Niet nakomen van overige verplichtingen 

Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de 

Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vast¬ 
gesteld op: 

a. 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van 
verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; 

b. 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van 
verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; 

c. 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van 
verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; 

d. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van 
verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. 

Hoofdstuk 5. Samenloop en recidive 

Artikel 15. Samenloop van gedragingen 

1. Als er sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of 
artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opge¬ 
legd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging 
waarop de hoogste verlaging is gesteld. 

2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze 
verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor 
iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig op¬ 
gelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstan¬ 
digheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 

3. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of 
artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste 
lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover 
voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 

4. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verorde¬ 
ning of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, 
eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan 
worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit 
gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de 
belanghebbende niet verantwoord is. 

Artikel 16. Recidive 

1. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee 
een verlaging is toegepast vanwege een gedraging in de tweede of derde categorie als bedoeld 


4 


Gemeenteblad 2015 nr. 122903 17 december 2015 






Gemeente 
West 
Maas en 
Waal 


in de artikelen 7 en 8, artikel 12, eerste lid, of artikel 14 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde 
verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 

2. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee 
een verlaging is toegepast vanwege een gedraging in de eerste categorie als bedoeld in de arti¬ 
kelen 7 en 8 of artikel 13 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt 
telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 

3. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee 
een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de 
Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, 
vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm 
gedurende 3 maanden. 

Hoofdstuk 6. Blijvende of tijdelijke weigering loaw/loaz 
Artikel 17. Samenloop bij weigeren uitkering loaw/loaz 

Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere 
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomens¬ 
voorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert 
en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een 
verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege. 

Hoofdstuk 7. Handhaving 
Artikel 18. Handhavingsbeleid. 

Het college biedt iedere vier jaar een beleidsplan Handhaving Participatiewet aan de Raad aan ter 
kennisname aan met daarin het te voeren beleid op het gebied van handhaving, bestrijding van misbruik 
en oneigenlijk gebruik van de Participatiewet en de te verwachten resultaten en rapporteert hierover 
jaarlijks aan de Raad. 

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen 
Artikel 19. Intrekken oude verordening. 

De Afstemmingsverordening Participatiewet, loaw en loaz 2015 wordt ingetrokken per 1 januari 2016. 

Artikel 20. Inwerkingtreding en citeertitel 

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016. 

Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening Participatiewet, loaw en loaz 2016. 
DE RAAD VAN DE GEMEENTE WEST MAAS EN WAAL, 

De griffier, wnd. De voorzitter, 

Mw. E (Esther) Jonkman Th.A.M. (Thomas) Steenkamp 

Toelichting algemeen 

Rechten en plichten in de Participatiewet 

De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van de rechten en plichten 
van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het 
gemeentelijk beleid vastgesteld worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echtertwee kanten 
van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om 
weer onafhankelijk te worden van de uitkering. 

Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan 
verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. 
In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan 
verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan 
aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, 
tweede lid, van de Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van uitke¬ 
ringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer 
onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering 
niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstands¬ 
gerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen 
die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een rol. 
Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in 
onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar 
van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af 
van een dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening 


5 


Gemeenteblad 2015 nr. 122903 17 december 2015 





houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college 
kan dan ook van een verlaging afzien als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht. 

Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet geüniformeerde ar- 
beidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel 
moet worden verlaagd met honderd procent gedurende twee maanden. In de verordening is de duur 
van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet). 

Is afgezien van de verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet 
mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is 
vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende 
redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden gelegen om de betref¬ 
fende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. 

Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van beschikking of de omstandigheden en 
het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de 
Participatiewet). Bij een dergelijke beoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, 
waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Het heeft slechts als 
doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich uit¬ 
strekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige 
wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte of 
duur bij te stellen. Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het ministerie van 
Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van schending van een van de 
geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten aanzien van 
geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van toepassing. 
Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde 
lid, pas wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt. 

Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor zover de verlaging 
wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen. Als een betreffende gedraging 
ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze 
verlaging en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaat als sprake is van juridisch te onder¬ 
scheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien 
kan een geldboete worden opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast 
is sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet 
op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd. 

Afstemmen in de lOAW en lOAZ 

Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een uitkering op grond van de Wet inkomensvoor¬ 
ziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: lOAW) of Wet inko¬ 
mensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandige (hierna: lOAZ) te 
verlagen ofte weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen 
niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de lOAW en artikel 20 van de lOAZ). Het gemeentelijk beleid 
moet vastgelegd worden in een verordening (artikel 35 van de lOAW en artikel 35 van de lOAZ). 

De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en maatregelenregime, waarbij moet 
worden opgemerkt dat de mogelijkheid om een boete op te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen. 
Niet verlenen van medewerking 

Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging van de bijstand. Het 
belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het toestaan van een huisbezoek. In de praktijk 
zal het niet toestaan van een huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op 
bijstand omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de bijstand is in 
dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te ver¬ 
schijnen in verband met arbeidsinschakeling valt ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. 
In de praktijk betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te verstrekken 
zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet komen van de inlichtingenplicht. Daarom is er 
voor gekozen het niet verlenen van medewerking zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Partici¬ 
patiewet niet als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze verordening. 

Schenden van de inlichtingenplicht 

De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en bijstand (hierna: 
WWB)(thans Participatiewet), lOAW en lOAZ. Deze moet worden opgelegd bij een schending van de 
inlichtingenplicht en komt in de plaats van de verlaging van de bijstand. 

Verrekening bestuurlijke boete bij recidive 

De Participatiewet verplicht in een verordening nadere regels te stellen over de bevoegdheid de beslag¬ 
vrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de recidiveboete. Gemeenten hebben 
daarmee de ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking 
stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. Het is mogelijk deze regels onder te 
brengen in de afstemmingsverordening. Er is echter voor gekozen deze regels niet in deze verordening 
op te nemen omdat deze verordening een gecombineerde Participatiewet, lOAW en lOAZ afstemmings¬ 
verordening is. De regels over de bevoegdheid om de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen 


Gemeenteblad 2015 nr. 122903 17 december 2015 





bij verrekening van de recidiveboete zijn neergelegd in de 'Verordening verrekening bestuurlijke boete 
bij recidive 2015. 

Artikelsgewijze toelichting 

Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld. 

Artikel 1. Begrippen 

Begrippen die als zijn omschreven in de Participatiewet, de lOAW en lOAZ, de Algemene wet bestuurs¬ 
recht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. 
Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. 

Bijstandsnorm 

Onder de 'bijstandsnorm' wordt in deze verordening verstaan de in de situatie van belanghebbende 
geldende bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en verminderd met 
verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een uitkering op grond van de 
lOAW en lOAZ wordt onder bijstandsnorm verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 
5 van de lOAW en artikel 5 van de lOAZ. 

Benadelingsbedrag 

Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep 
wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening 
in het bestaan. Voor het bepalen van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan van het nettobedrag van 
de uitkering, zoals ook het geval is bij het benadelingsbedrag in het kader van de bestuurlijke boete. 

Artikel 2. Het besluit tot het opleggen van een verlaging 

Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door middel van een besluit. 
Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en beroep indienen. In dit artikel is aangegeven 
wat in het besluit in ieder geval moeten worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de 
Awb en dan vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een 
besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is voorzien. 

Artikel 4. Afzien van verlaging 
Afzien van verlagen 

Het afzien van het opleggen van een verlaging 'indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt', is 
overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van 
de lOAW en artikel 20, derde lid, van de lOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend 
sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. Het is aan het college te beoordelen of elke 
vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke 
vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van 
recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 16 van deze verordening). Is vanwege de afstemming 
op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet van een verlaging afgezien dan is daarin geen 
reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. 

Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de gedraging te lang geleden 
heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit ('lik op stuk') is het nodig dat een verlaging 
spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. 

Het college kan geen verlaging opleggen voor gedragingen die langer dan drie of vijf jaar geleden 
hebben plaatsgevonden. De vervaltermijn is afhankelijk van de hoogte van de afstemming. Hiermee 
wordt aangesloten bij de vervaltermijnen zoals genoemd in artikel 5:45, tweede lid, van de Awb. De 
bevoegdheid tot het afstemmen vervalt na drie jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden als een 
verlaging van € 340 of minder kan worden opgelegd. De bevoegdheid tot het afstemmen vervalt na vijf 
jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden als een verlaging van meer dan € 340 kan worden op¬ 
gelegd. Deze verjaringstermijn laat overigens onverlet dat het vanuit het oogpunt van effectiviteit ('lik 
op stuk') nastrevenswaardig wordt geacht zo spoedig mogelijk een verlaging op te leggen nadat de 
gedraging heeft plaatsgevonden. Dat heeft bovendien als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet 
te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag of de gemeente overgaat tot het opleggen van 
een verlaging. 

Afzien van verlagen in verband met dringende redenen 

In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een verlaging als daarvoor 
dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van 
een verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaan¬ 
vaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord 'dringend' blijkt dat er wel iets heel bijzonders 
en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd 
zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand 
worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten 
aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende 
en/of diens gezien. Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen 
reden zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een uitkering. 
Schriftelijk mededeling in verband met recidive 

Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college afziet van het opleggen 
van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive (artikel 
4, derde lid). Het opleggen van een verlaging bij recidive is geregeld in artikel 16. 


Gemeenteblad 2015 nr. 122903 17 december 2015 





Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 

Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode 
van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niette worden overgegaan tot herziening van de uitkering 
en terugvordering van het te veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een ver¬ 
laging wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de kalender¬ 
maand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de hoogte van de verlaging moet 
worden uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. 

Verlagen met temgwerkende kracht (tweede lid) 

Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die gevallen kan de verlaging 
met terugwerkende kracht te worden toegepast. Het afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, 
is een bijzondere vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte 
uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit te veel is verstrekt kan met toepassing 
van artikel 58, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 25, tweede lid, van 
de lOAW en van de lOAZ, worden teruggevorderd. Afstemming met terugwerkende kracht is echter 
niet altijd mogelijk. Als de gehele uitkering over de betreffende periode is ingetrokken en teruggevorderd, 
resteert er niets meer om af te stemmen. Is geen duidelijke datum te koppelen aan de gedraging van 
een belanghebbende of is de verlaging het gevolg van een gedraging voorafgaande aan de aanvraag, 
dan is verlagen met terugwerkende kracht evenmin mogelijk en kan de verlaging uitsluitend naar de 
toekomst toe worden toegepast. Denk bijvoorbeeld aan het nalaten om onvoldoende te solliciteren. 
Verlaging uitvoeren op nieuwe uitkering(derde lid) 

Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen van een verlaging is 
niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op bijstand (meer) heeft. Als een verlaging niet of 
niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, 
is het ook mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog op 
te leggen als belanghebbende binnen een bepaalde termijn na beëindiging van de uitkering opnieuw 
een uitkering opgrond van de wet ontvangt. Het college moet wel rekening houden met de vervaltermijn 
voor het opleggen van een maatregel zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b. 

Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet bijvoorbaat worden 
opgelegd. Het college moet bij het opnieuw toekennen van het recht op bijstand beoordelen in hoeverre 
er nog aanleiding bestaat om een verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een afstemmingsbesluit 
en staat de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open. 

Artikel 6. Berekeningsgrondslag 
Bijstandsnorm 

In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 
Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging 
en inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de lOAW of de lOAZ wordt gekeken naar 
de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de lOAW respectievelijk van de lOAZ. 

Bijzondere bijstand 

In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand als 
aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de 
Participatiewet. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien nood¬ 
zakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levenson¬ 
derhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot 
rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat 
de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere 
bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. 

Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het college in incidentele gevallen een 
verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging 
van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden 
opgelegd als daadwerkelijke bijzondere bijstand is verstrekt. 

De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een individuele inkomenstoeslag. 

Artikel 7. Gedragingen Participatiewet 

De artikelen 7 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 7 worden de schendingen 
van verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd 
in artikel 7 zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toege¬ 
kend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende 
zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft 
voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. 

Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen 

De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen van diverse ver¬ 
plichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het 
college moest afstemmen als een belanghebbende de verplichtingen 'niet of onvoldoende nakomt'. 
Met het huidige artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in 'het niet nakomen 
van de verplichtingen'. Het woord 'onvoldoende' valt hiermee weg. Gemeend wordt dat de wetgever 
hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet 


Gemeenteblad 2015 nr. 122903 17 december 2015 






Gemeente 
West 
Maas en 
Waal 


of onvoldoende nakomen van verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in 
artikel 7 neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of onvoldoende nakomen 
van de verplichtingen. 


Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen (onderdeel 
c) 


Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet naar vermogen proberen 
te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld 
in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de 
geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting 
geldt een apart afstemmingsregime: verlagen van de bijstand met honderd procent gedurende een in 
de afstemmingsverordening vastgelegde duur van ten minste een maand en ten hoogste drie manden. 
In deze verordening is de duur vastgelegd in artikel 10. 

Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 7, derde lid, als het niet 
naar vermogen proberen te krijgen van algemeen geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging 
zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet zoals: 

1. Het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor het 
verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, en 

2. het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door kleding, gebrek aan 
persoonlijke verzorging en gedrag. 

Inspanningen in eerste vier weken na melding 

De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9, eerste lid, van de Participa¬ 
tiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen 
in de eerste vier weken na de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen 
enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van de Parti¬ 
cipatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het 
college onvoldoende, dan verlaagt het college de uitkering. De verlaging kan in principe al worden 
toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 6 van deze vordering. Een aparte 
grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk. Het zou wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als 
het bijvoorbeeld gaat om een belanghebbende die in de vijfde of zesde week na de melding de fout in 
gaat. Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de herkenbaarheid 
toch als aparte gedraging genoemd opgenomen in de afstemmingsverordening (zie artikel 7, tweede 
lid, onderdeel b). 

Artikel 8. Gedragingen lOAW en lOAZ 

De artikelen 8 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 8 worden schendingen 
van verplichtingen uit de lOAW en lOAZ geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd 
in artikel 8, zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toe¬ 
gekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende 
zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft 
voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. 

Artikel 9. Hoogte en duur van de verlaging 

Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 7 en 8. 

Er is gekozen voor een afstemmingsregime bij gedragingen zoals bedoeld in de artikelen 7 en 8 dat 
afwijkt van de maatregel bij schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen als bedoeld in 
artikel 18, vierde lid van de Participatiewet. Dit ondanks dat enkele van de in de artikelen 7 en 8 genoemde 
gedragingen verwant zijn aan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. 

Artikel 10. Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichtingen 
De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde arbeidsverplichting 
vaststelt, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze veror¬ 
dening vastgestelde periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet). 

Artikel 11. Verrekenen verlaging 

Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending van een geünifor¬ 
meerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over de maand van oplegging van de 
maatregel en ten hoogste over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een 
derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de 
Participatiewet). 

Verrekenen bij bijzondere omstandigheden 

Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van het bedrag van de 
verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting (of een herhaalde 
schending buiten de recidivetermijn) als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan 
worden gedacht aan: 

1. Vergroting schuldenproblematiek 

2. (dreigende) huisuitzetting 

3. Afsluiting van gas en elektriciteit 


9 


Gemeenteblad 2015 nr. 122903 17 december 2015 






Gemeente 
West 
Maas en 
Waal 


De maand van oplegging 

In het eerste, tweede en derde lid wordt gesproken over de 'maand van oplegging'. Deze term is over¬ 
genomen uit artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet. Met de 'maand van oplegging' wordt in deze 
verordening bedoeld: de maand waarin het besluit aan belanghebbende is bekend gemaakt. 

Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 

Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen be- 
staan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. 
Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorko¬ 
men. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aange¬ 
wezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor 
de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er 
toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand): 

1. Het te snel interen van vermogen; 

2. Het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; 

3. Het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening. 

Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet worden aangemerkt 
als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, 
onderdeel g, van de Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen 
geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 van de 
Participatiewet en artikel 10 en 16, derde lid, van deze verordening. 

Op grond van artikel 12 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd wegens het betonen 
van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van 
de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het ge¬ 
deelte van de uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt gedaan. 

Bijstand in de vorm van een geldlening 

Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het college tevens besluiten de 
bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, 
van de Participatiewet. Als het Dagelijks Bestuur besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand 
én verlaging) moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de bijstandsgerech¬ 
tigde. 

Wanneer belanghebbende tot inkeer komt, wordt de verlaging stopgezet en ontvangt belanghebbende 
weer de volledige uitkering 

Aan dit artikel is een derde lid toegevoegd. Door een recidiverend verzuim met de inlichtingenplicht 
kan er bij volksverzekeringen of werknemersverzekeringen een bestuurlijke boete worden verrekend 
met de betreffende uitkering. Daarbij kan de beslagvrije voet buiten werking worden gesteld. Resultaat 
is dat men feitelijk geen uitkering ontvangt. Dan kan een beroep op bijstand volgen. Voor die situaties 
is een verlaging van 100% van de bijstand gedurende 3 maanden opgenomen. Dit komt overeen met 
de termijn van 3 maanden gedurende welke in de Wet werk en bijstand de beslagvrije voet buiten 
werking kan worden gesteld. 

Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen 
Participatiewet (eerste lid) 

Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan: elke vorm van ongewenst 
en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt 
bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het 
toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen 
daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien. 

Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen 
grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen 
van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer 
ernstige misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'. 
Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de uitvoering van de 
Participatiewet belaste personen en instanties (college, SVB en re-integratiebedrijven) tijdens het ver¬ 
richten van hun werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden'wordt 
aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de Participa¬ 
tiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht 
van toepassing. 

Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen 
een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze ver¬ 
plichting staat dus op zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een 
belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake zijn van een samen¬ 
hang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen van een of meer verplichtingen die 
voortvloeien uit de toenmalige WWB, lOAW of lOAZ. 


10 


Gemeenteblad 2015 nr. 122903 17 december 2015 






Gemeente 
West 
Maas en 
Waal 


lOAW en lOAZ (tweede lid) 

Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij 
het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale wenselijke verkeer 
in alle gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer 
ernstige misdragingen'. Het college kan alleen een verlaging opleggen als er een verband bestaat tussen 
de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het vaststellen van het recht op een uitkering. 
De lOAW en lOAZ bevatten immers geen afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdra¬ 
gingen. Het recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer ernstig mis¬ 
dragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van een (andere) aan de uitkering verbonden 
verplichting. Vandaar dat in het tweede lid wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten 
hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering 
van de lOAW en lOAZ. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, geheel los van een (andere) 
aan de uitkering verbonden verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit eigen beweging stennis maken¬ 
dan is binnen de lOAW en lOAZ tegen deze gedraging geen sanctie mogelijk. 

Artikel 14. Niet nakomen van overige verplichtingen 

De Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die vol¬ 
ledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt 
deze tot een viertal categorieën, te weten: 

1. Verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; 

2. Verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; 

3. Verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en 

4. Verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. 

De hoogte van de verlaging is in deze vordering per categorie verschillend vastgesteld. Omdat de ver¬ 
plichtingen die het college op grond van artikel 55 van de Participatiewet kan opleggen een zeer indivi¬ 
dueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is af¬ 
gestemd op de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het college zal daarom altijd 
rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de Participa¬ 
tiewet. Deze bepaling verplicht het college de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijk¬ 
heden en middelen van een belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van 
de in dit artikel vastgestelde verlaging. 

Artikel 15. Samenloop van gedragingen 

Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden geschonden 

Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere 
verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in 
beide regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de 
duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 

Samenloop bij meerdere gedragingen waardoor één of meerdere verplichtingen worden 
geschonden 

Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één 
of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Partici¬ 
patiewet of in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor 
iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig 
opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedra¬ 
ging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor 
moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meer¬ 
dere maanden uitgesmeerd. 

Samenloop met een bestuurlijke boete 

Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd als sprake is van een 
verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige gedraging is. 

Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening opgenomen verplich¬ 
ting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van de verplichtingen niet ge¬ 
zamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de 
vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van samenloop 
tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het individuele geval te beoordelen 
welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. 
Het college bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging 
meer opgelegd (derde lid). 

Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van 
een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging 
zit. Daarnaast kan het college in dit geval nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de 
hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele 
andere maatregelen (vierde lid). 


11 


Gemeenteblad 2015 nr. 122903 17 december 2015 





Artikel 16. Recidive 
Verdubbeling duur verlaging 

Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare 
gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grote mate van verwijtbaarheid 
tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Een verlaging 
kan nooit hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware verlagingen 
voor gelden, gekozen voor verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van de hoogte. Met 
de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een 
verlaging, ook als wegens dringende redenen -op grond van artikel 4, tweede lid, van deze verordening 
en eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet - is afgezien van het opleggen van een verlaging. 
Dit geldt ook als van afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is afgezien 
van het opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid 
afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee 
te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip 
waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden. 

Verdubbeling hoogte verlaging 

Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare 
gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid 
tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Voor lichte ver¬ 
lagingen is gekozen voor een verdubbeling van de hoogte van de verlaging. 

Recidive op recidive bij niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen 

Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet geüniformeerde 
arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel 16, eerste of tweede lid, van deze veror¬ 
dening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door het woord 'telkens' in de recidivebepaling. 
Voor toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting 
plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging 
is toegepast. 

Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt - evenals bij de eerste keer recidive - dat 
ofwel de hoogte ofwel de duurvan de oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen 
geldt een verdubbeling van de hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen geldt een verdubbeling 
van de duur van de verlaging. 

Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Dit is de verlaging 
die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er is expliciet niet voor gekozen de hoogte of 
de duur van de vorige verlaging te verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de 
duur van de oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de verlaging 
voorkomen. 

Eenzelfde gedraging vereist voor recidive. 

Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet zijn van 'eenzelfde ver¬ 
wijtbare gedraging' als de gedraging waarvoor de eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat 
dezelfde verplichting wordt geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden 
aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich zeer ernstig misdragen 
(artikel 13) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten 
registreren als werkzoekende bij Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 7, eerste lid), 
dan is geen sprake van recidive aangezien het niet 'eenzelfde gedraging' betreft. Evenmin is sprake 
van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen van een plan van aanpak (artikel 
1 , tweede lid, onderdeel a) en vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 7, tweede 
lid, onderdeel d). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende ver¬ 
plichtingen zijn geschonden. 

Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting 

Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen 
twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een eerste maatregel is opgelegd wegens schending 
van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende 
3 maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet gegeven marges. 

Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, telkens 
binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent 
gedurende drie maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet). 

Artikel 17. Samenloop bij weigeren uitkering lOAW/IOAZ 

Het college is op grond van artikel 20 van de lOAW en artikel 20 van de lOAZ bevoegd de uitkering 
blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen 
verwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een 
verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde koen als het college zich een oordeel heeft ge¬ 
vormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als 
het college concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze verordening een 
verlaging worden toegepast. Artikel 17 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te 
voorkomen. 


Gemeenteblad 2015 nr. 122903 17 december 2015